Home | Contact

Hoe de communicatie van ouderen met dood en rouw verandert

Lezing gehouden op 19 mei 2011 in het Slingelandziekenhuis

Dat zijn van die titels waarvan een welwillende buitenstaander denkt: Dat moet wel een oude spreker zijn, want een gezond mens die midden in het leven staat bedenkt zulke titels niet. Dat klopt en dat is maar goed ook, want een jonge spreker, met alle respect, kan moeilijk van binnenuit weten waarover hij of zij het heeft, wanneer dit onderwerp aan de orde is.
Praten over oud worden en zijn is het voorrecht dat aan de verandering van je hersenen en je lijf te danken is. Dat wil zeggen: jonge mensen kunnen er wel OVER praten, maar ze praten er niet UIT, zoals mijn goede moeder placht te oordelen over de preken van dominees, die hun geloof 'twee turven te hoog' hadden zitten, namelijk in het hoofd, waarmee je OVER de dingen praat en niet uit het hart, dat UIT DE ERVARING PRAAT.
Ik volg mijn moeder geheel en perk mij daarmee listig in, want ik hoef geen sluitend empirisch onderzocht en rationeel onderbouwd denkpatroon aan te bieden, maar ik heb mij als dagsluiter wat meer hartruimte toebedeeld. 

Ik wil u vanmiddag eigen ervaringen bieden uit pastorale contacten met stervenden en rouwenden, uit wat ik zelf beleef van het ouder worden en uit de informatie die ik krijg, bijvoorbeeld van lezers van mijn boek ‘In de dood kun je niet wonen’, via brieven en tijdens gesprekken op ontmoetingsavonden met voortbestaanden. (Ik hoop dat u de term nabestaanden voorgoed wilt schrappen en u de gewoonte wilt aanwenden de term voortbestaanden of voorbestaanden te hanteren, want dat geeft de werkelijkheid beter weer). En dit alles wil ik dan graag bekijken door de bril van de communicatie, dat betekent de ‘sociale interactie door informatieverstrekking’, waarbij informatie niet alleen overgedragen wordt door woorden, maar vooral ook door zwijgen, gebaren, kijken, uitstraling en vragen. Met het doel ‘communio’, dat is gemeenschap te scheppen, een beleefbare vorm van ‘togetherness’.

Eerst een opmerking vooraf: Er zijn verschillende lagen in de veranderingen van de communicatie van ouderen met dood en rouw te onderscheiden. Het spreekt vanzelf dat die veranderingen niet overal gelijk zijn bij alle mensen die bepaalde leeftijdsgrenzen passeren. Het imago van de dood, de beelden die mensen hebben van het sterven zelf, van de rouwgewoonten en rouwbelevingen zijn bijna vanzelfsprekend niet ‘unisono’ en niet universeel geldig. Ze worden namelijk ingekleurd door de habitat van de mens, zijn mycelium, zijn zwamvlok die hem uit zijn oergrond voedt en die bepaald wordt door de mate waarin omgeving, specifieke cultuur en levensovertuiging stervensbeleving en rouw ‘toelaten’. 

Hoe je sterft wordt duidelijk beïnvloed door hoe, waar en met wie je hebt geleefd. Een oude Achterhoekse boer die sterft kan niet zomaar model staan voor de stervende oude zakenman uit Rotterdam. Komend uit een gewoontecultuur leer je anders praten over dood en je praktiseer je rouw anders. We hebben gemeen met elkaar dat we niet in de dood kunnen wonen (de titel van een boek, dat ik enkele jaren geleden geschreven heb). Niemand kan in de dood wonen. Waar je roots ook liggen, welk leven je ook geleid hebt, je komt terecht in het ‘Ungewissene’, het ongewisse dat vanuit het hier en nu en deze kant gezien onherbergzaam is. Daarom zoekt een mens altijd, ook in dood en rouw, een herbergzaam zuhause sein. Ik kom er straks nog even op terug.

Ik wil nu graag met u kijken naar enkele veranderingen die we constateren in de communicatie van ouderen met dood en rouw. Zeker is dat over dood en rouw onder ouderen anders gecommuniceerd wordt dan vijftig jaar geleden. Ik neem een zestal kenmerken daarvan waar:

1. Het valt op dat met name door de media, maar ook door verhoging van opleidingniveau en de verdwijning van oude adats, de open bespreekbaarheid van ons levenseinde sterk is toegenomen. Ook het sociale en maatschappelijk spreken over de beëindiging van ons leven en over de ontbinding van traditionele rouwrituelen lijkt mij opzienbarend geïntensiveerd.

2. De aanzienlijke verbetering en verdieping van de medische informatie en begeleiding van stervensprocessen is van onschatbare waarde voor de aanvaarding en de verwerking van de dood bij de stervenden en hun voortbestaanden. Wat er ook allemaal aan kritiek geuit kan worden op de communicatieve relatie tussen artsen, verplegenden en patiënten, niet mag ontkend worden dat de laatste decennia een veel grotere vaardigheid in communiceren bij de medische stand aantoonbaar is. Men heeft daar geleerd meer ‘gewoon’ te praten, dat is aangepast aan de habitat, de leefwerkelijkheid van mensen te spreken. En het gebruik van streektalen in de zorg neemt kennelijk eerder toe dan af.

3. Het terugdringen van kerkelijke/religieuze dominantie over de dood, de loslating van de (vermeende) zeggenschap over het leven in het eventuele hiernamaals, maar ook het verdwijnen van de knelling van sociale adat rond de dood, vooral bij jonge generaties, hebben dood en rouw ook bij ouderen sterk beïnvloed. De sluier over de dood is deels opgetrokken en de rouwrituelen zijn geseculariseerd en sociaal bespreekbaar geworden. Duidelijk meer beoordeeld geworden op hun effectiviteit en daarom hun mystieke aureool verloren.

4. De ouderen, die het oude regime van dood en rouw nog gekend hebben, moesten wennen aan de openheid, waarmee de communicatie door de omringenden van stervenden: dokters, verplegenden, familie en tijd- en lotgenoten, werd ingevuld. Zijn de ouderen zelf ook spontaan massaal ‘milder’ of ‘vrijer’ gaan denken over de dood en de rouw? Pas op. Ik denk dat het eerlijker is te zeggen dat ze al een lange tijd in het verborgen hun gedachten daarover hadden bijgesteld, maar de sociale code verhinderde de uiting ervan in het openbaar.
De mensen die nu boven de tachtig jaar zijn, hebben nog met een been in de oude adat gestaan, compleet toegerust met do’s en donts. Voor een groot deel van ons volkwas een halve eeuw geleden de hemel nog hemel en de hel was hel. De dood was een mysterie en de rouw een lot, dat gedragen moest worden. Door bevrijdende inzichten in de theologie en de verwante ontwikkelingen in de pastorale zorg, om het even of die nu christelijk, islamitisch of humanistisch is, is een bepaalde uitzuivering van storende blokkades en afrekening met het oude doemdenken op gang gekomen. Oud worden is iets meer dan: dichtbij de dood komen, je neerleggen bij het onvermijdelijke, je terugtrekken uit het grote leven en gedwee voldoen aan de sociale codes. We durven bevrijdend en openlijk te praten over het einde, over euthanasie, over palliatieve zorg. Vroeger werden we gebracht waarheen we in de regel niet wilden, nu trekken we al vroeg ons plan en nemen maatregelen om de beleefbaarheid van ons leven zo lang mogelijk te rekken.

5. Er is een verheugende, openbare gedurfdheid gegroeid ten aanzien van de begrenzing van oeverloos en zinloos lijden. De dood als verlosser is geen taboe meer. En daarom zijn de rituelen bij rouwen ook veranderd, minder ‘verbergend’. Zeker, er is ook rouwbombarie ontstaan, commercieel aangereikte, soms opdringerige invullingen van rouwbeleving, maar er is ook openheid geboden aan de vreugde van de verlossing door de dood, de zielenrust biedende gelatenheid, die geen doffe berusting mag heten, maar een weloverwogen levenshouding bevat. Je merkt ook dat de communicatie bij dood en rouw vaak die van een (gesloten) ‘communaute’ is, een gemeenschap vormt die de kleine kring die dood en rouw uittilt boven de tobberigheid van het onvermijdelijke.

6. We werpen ons niet meer op de rouw als rouw, maar op de rouw als periode van bezinning, van doorgang naar een nieuwe fase van het leven. We roddelen niet meer over mensen die maar kort rouwen en we zeuren niet meer over mensen die nooit uitgerouwd raken. In elk geval zijn we het er steeds meer over eens dat dood en rouw mogen nooit gedurende lange tijd dagwerk mogen worden. Zoals een dame mij toevertrouwde, dat zij 1 uur per dag rouwde, met eenvoudige attributen en rituelen. Geconcentreerd. Maar het had geen invloed meer op haar drukke werkzaamheden. De rouw had letterlijk een plaats en een tijd gekregen. Een uur per dag rouwen was voor haar genoeg! De rouw was omgeven door een druk bestaan, opgenomen in het leven.

Tenslotte - voor oudere oren klinkt het vertrouwd - de dood is een onbewoonbaar verklaarde woning voor ons. Dat lijkt een wijze uitspraak, maar je kunt die ook omkeren: de dood is ook een onverklaarbaar bewoonde woning.

En dan heb ik het over die oergedachte van de mensheid bij het sterven van een mens: what is next? Ik denk dat voor heel wat mensen van mijn generatie de hemel nog onverklaarbaar bewoond is. Met het IETS, dat ERGENS verblijft. Iets dat een andere soort werkelijkheid is dan de onze, dat te maken heeft met ons oerbestaan.  Onze herkomst, die we weer gaan bezoeken. Intussen meubileren we het hemelse huis van het hiernamaals met meubelen van het hiernumaals. Dat is vertrouwd.

Anne van der Meiden


HOME | CONTACT | HTML | CSS | © 2010 Wendelcom |